08/08/80 Budgettaire voorstellen 1979-1980 - - relevante bepalingen
Wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980
08/08/80 Budgettaire voorstellen 1979-1980 - - relevante bepalingen
Wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980
Afdeling 1 Algemene structuurmaatregelen in de economische sector
Afdeling 1 Algemene structuurmaatregelen in de economische sector
Artikel 179

§ 1

De Staat mag deelnemen in het kapitaal van een gemengde vennootschap die tot doel heeft activiteiten in verband met de nucleaire brandstofcyclus [, alsook de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales,] te beheren, met uitzondering van de activiteiten hierna voorzien in § 2.
[...]
De totale kosten verbonden aan de activiteiten van de vennootschap, hierin begrepen de kosten van het toegepast wetenschappelijk onderzoek, zullen ten laste vallen van de vennootschappen en organismen voor wie de verrichtingen zullen gebeurd zijn.

§ 2

[Er wordt een openbare instelling opgericht, Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen (NIRAS) genoemd. Deze Instelling krijgt de rechtspersoonlijkheid. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de vestigingsplaats van de Instelling, de werkingsbeginselen ervan, de samenstelling van haar beraadslagende en uitvoerende organen, de benoemingswijze van de personen die erin zetelen, de vertegenwoordiging ervan in rechte evenals de organisatie van het administratief toezicht erop. [Voor de toepassing van de federale belastingwetten wordt het NIRAS met de Staat gelijkgesteld.]
Met het doel de bescherming van de werknemers, de bevolking en het leefmilieu te waarborgen en te verzekeren en onverminderd de juridische en financiële verantwoordelijkheid van de afvalproducenten, wordt de Instelling belast met het beheer van al het radioactief afval, van welke oorsprong of herkomst het ook zij [, het opstellen van een inventaris van alle nucleaire installaties en alle terreinen die radioactieve stoffen bevatten, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle,] evenals met bepaalde opdrachten op het gebied van het beheer van verrijkte splijtstoffen, plutoniumhoudende stoffen, bestraalde splijtstoffen, en van de denuclearisatie van de buiten dienst gestelde installaties. [De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden van de raad van bestuur, opgericht door het koninklijk besluit van 30 maart 1981 houdende bepaling van de opdrachten en de werkingsmodaliteiten van de openbare instelling voor het beheer van radioactief afval en splijtstoffen, vertegenwoordigen het Rijk of een Gewest.]
De Instelling zal slechts afval van buitenlandse oorsprong mogen beheren na instemming te hebben bekomen van haar voogdijoverheid.
De opdrachten betreffende het radioactief afval omvatten het vervoer buiten de installaties, de verwerking en de conditionering voor de producenten die niet over daartoe door de Instelling erkende uitrustingen beschikken, de opslag buiten de installaties en de berging, evenals de verzameling en de evaluatie van elke informatie die nodig is voor de uitvoering van de bovengenoemde opdrachten.
[De instelling wordt bovendien gemachtigd om elke handeling te stellen en elke maatregel te treffen die erop gericht is het maatschappelijk draagvlak dat vereist is voor de integratie van een bergingsinstallatie voor radioactief afval in een lokale collectiviteit, te creëren en in stand te houden.]
[Deze wet is van toepassing onverminderd de specifieke bevoegdheden van de veiligheidsautoriteiten voor wat betreft de bescherming van de bevolking en het leefmilieu tegen de gevaren voortspruitend uit ioniserende stralingen, in het bijzonder het Federaal Agentschap voor nucleaire controle en zijn voogdijminister.]
[De opdracht met betrekking tot de inventaris omvat het opstellen van een repertorium van de lokalisatie en de staat van alle nucleaire installaties en alle plaatsen die radioactieve stoffen bevatten, de raming van de kost van hun ontmanteling en sanering, de evaluatie van het bestaan en de toereikendheid van provisies voor de financiering van deze operaties, toekomstig of lopend, en de vijfjaarlijkse bijwerking van deze inventaris.
De uitbaters van de nucleaire installaties en de houders van radioactieve stoffen, of, bij ontstentenis, hun eigenaars, zijn gehouden aan de Instelling, onder hun verantwoordelijkheid en op eenvoudige vraag, de gegevens te bezorgen om haar toe te laten de inventaris op te maken op basis van een door haar uitgewerkte procedure die de vorm en de inhoud van deze gegevens definieert.
De Instelling kan elke uitbater van nucleaire installaties en elke houder van radioactieve stoffen, of, bij ontstentenis, hun eigenaars, verplichten om, binnen een gegeven termijn, alle noodzakelijke gegevens voor de opmaak van de inventaris te bezorgen. Haar afgevaardigden of opdrachthouders zullen, op werkdagen van acht tot zeventien uur, beschikken over het recht tot toegang tot deze installaties en terreinen, alsook tot elk technisch of boekhoudkundig document dat nodig is voor de opmaak en de bijwerking van de inventaris.
Zij die de gevraagde gegevens niet of laattijdig bezorgen, zij die onvolledige of onjuiste gegevens bezorgen, zij die de toegang tot hun installaties en terreinen of tot elk technisch en boekhoudkundig document, nodig voor de opmaak of de bijwerking van de inventaris, weigeren, en, in het algemeen, zij die hun medewerking weigeren of de uitvoering van de opdrachten van de Instelling verhinderen, worden bestraft met een geldboete van 1.000 tot 10.000 [euro].
De Instelling maakt deze inventaris over aan haar voogdijminister die, in voorkomend geval, elke uitbater van nucleaire installaties of houder van radioactieve stoffen, of, bij ontstentenis, hun eigenaars, verplicht corrigerende maatregelen te nemen.
Zij die zich niet schikken naar de uitdrukkelijke bevelen van de minister worden bestraft met een geldboete van 1.000 tot 1.000.000 [euro].]
[7°
De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de Instelling de in het vorige lid bedoelde uitrustingen bestemd voor verwerking en conditionering kan erkennen evenals de voorwaarden van verhaal.
[8°
De opdrachten betreffende verrijkte splijtstoffen, plutoniumhoudende stoffen en bestraalde splijtstoffen omvatten het vervoer buiten de installaties, van de verrijkte en plutoniumhoudende splijtstoffen in een hoeveelheid die en met een verrijkingspercentage dat de door de Koning bepaalde grenzen overschrijdt, de opslag buiten de installaties, van de ten opzichte van de operationele behoeften van de installatie overtollige plutoniumhoudende stoffen, de opslag buiten de installaties, van bestraalde splijtstof of nieuwe splijtstof waarvoor geen enkel gebruik is voorzien, evenals de verzameling en de evaluatie van elke informatie die nodig is voor de uitvoering van de bovengenoemde opdrachten.
[9°
De opdrachten betreffende de ontmanteling omvatten de verzameling en de evaluatie van elke informatie waarmee de Instelling beheersprogramma's kan opstellen inzake het afval dat eruit zal voortspruiten, het akkoord over het programma voor ontmanteling van de besmette installaties, evenals de uitvoering van dit programma op aanvraag van de exploitant of in geval van tekortkoming van deze laatste.
[10°
De Instelling mag alle tot het verwezenlijken van haar doel nodige of nuttige verrichtingen doen.
Zij kan met name alle overeenkomsten sluiten, leningen aangaan, derden in haar vorderingen subrogeren, deze cederen of er anders over beschikken, alle schikkingen, zelfs voorstellen tot concordaat, aannemen, dadingen en compromissen aangaan, alle schuldvorderingen en zekerheden overlaten, van welk verhaal ook afzien en arbitrage-overeenkomsten sluiten. [De instelling kan, voor de uitvoering van haar opdrachten, rechtstreeks of onrechtstreeks deelnemen aan vennootschappen, verenigingen, samenwerkingsverbanden en andere rechtspersonen, alsook aan overleg- en beheerorganen, en kan voornoemde structuren oprichten, voor zover de deelname of oprichting bijdraagt tot de verwezenlijking van de opdrachten van de instelling. De beslissing om een handelsvennootschap op te richten of erin deel te nemen, wordt goedgekeurd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.] [De Instelling kan door de Koning, bij een in ministerraad overlegd besluit, gemachtigd worden om in eigen naam en voor eigen rekening over te gaan tot onteigeningen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van haar doelstellingen en opgelegde taken.]
[11°
Alle kosten verbonden aan de activiteiten van de Instelling, de kosten van haar operaties voor onderzoek, ontwikkeling en demonstratie en de kosten op lange termijn inbegrepen [maar met uitzondering van de kosten die gebonden zijn aan de activiteiten gedurende de twee eerste jaren van de inventarisatie], zullen worden ten laste gelegd van de maatschappijen, organismen, instellingen of personen waarvoor de Instelling haar prestaties verricht. Deze kosten, geraamd tegen kostprijs, zullen worden verdeeld tussen de begunstigden van de prestaties en naar verhouding ermee, rekening houdend met objectieve criteria.
[De kosten met betrekking tot de activiteiten van de Instelling bij het opmaken van de inventaris, worden gedragen door een bijdrage die, behalve voor de twee eerste jaren van de opmaak van de inventaris, ten laste zal gelegd worden van de uitbaters van nucleaire installaties en van de houders van radioactieve stoffen, of, bij ontstentenis, van hun eigenaars. [De kosten voor het opmaken van het Nationale Programma hebben betrekking op het opmaken en het bijhouden van de inventaris en zijn gedekt door de opbrengst van de bijdragen waarvan sprake in dit lid.]
[...]
De kosten met betrekking tot het opmaken van de inventaris, voor de eerste twee jaren, zullen gedragen worden door het Fonds voor de technische veiligheid van de nucleaire installaties van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en het Fonds voor de bescherming tegen ioniserende stralingen van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.]
[De Instelling kan een fonds oprichten voor de financiering van haar opdrachten op lange termijn, ook Fonds op lange termijn genoemd. Dit fonds dient om alle kosten en investeringen te dekken die noodzakelijk zijn om het radioactieve afval op te slaan en om berginginstallaties voor het radioactieve afval te bouwen, te exploiteren en te sluiten, en er de institutionele controle van te verzekeren, in overeenstemming met de vergunningen die uitgereikt zijn om deze activiteiten uit te voeren.
Het Fonds op lange termijn wordt gestijfd door retributies die in rekening worden gebracht van de producenten van radioactief afval. Deze retributies worden berekend op basis van de kosten die toe te schrijven zijn aan het respectieve afval van deze producenten en die worden geraamd op basis van de leidende principes die door de Koning worden vastgesteld, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De waarden van deze leidende principes, alsook bepaalde modaliteiten voor het stijven van het fonds op lange termijn, worden in onderlinge overeenstemming vastgesteld tussen de Instelling en de afvalproducenten, en zijn het voorwerp van daartoe gesloten overeenkomsten. Indien het onmogelijk is deze waarden en modaliteiten door een overeenkomst vast te stellen, worden ze op eensluidend advies van de instelling, vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De Instelling kan een fonds oprichten, ook Fonds op middellange termijn genoemd, om de kosten te dekken van de bijbehorende voorwaarden die werden goedgekeurd, enerzijds, door de gemeenteraad (-raden) van de gemeente(n) die het mogelijk heeft (hebben) gemaakt een maatschappelijk draagvlak te creëren en te bestendigen voor de vestiging van een bergingsinstallatie, door de ontwikkeling en de instandhouding van een participatief proces of van elke andere bestaande of uit te werken methode of procédé die hetzelfde resultaat bereikt, en, anderzijds, op voorstel van de Instelling, door de federale regering.
Deze kosten worden gemaakt om het vereiste maatschappelijk draagvlak te creëren en in stand te houden voor de integratie van een bergingsinstallatie voor radioactief afval in een lokale collectiviteit.
In ieder geval kunnen de middelen van het Fonds op middellange termijn worden aangewend om alle of een deel van de kosten te financieren verbonden aan de investering en de exploitatie van de infrastructuren alsook aan de activiteiten en projecten van de lokale collectiviteit die, via een participatief proces, de continuïteit van het maatschappelijk draagvlak voor de berging verzekert.
Het Fonds op middellange termijn wordt gestijfd door de integratiebijdrage die geheven wordt bij de producenten van radioactief afval. Deze integratiebijdrage wordt berekend op basis van de totale capaciteit van de bergingsinstallatie en de totale respectieve afvalhoeveelheden van de producenten die bestemd zijn om er geborgen te worden.
Het bedrag van de integratiebijdrage die verschuldigd is om het Fonds op middelange termijn te stijven, wordt als volgt vastgesteld:
Hp = ( Qp / Qt) × T × FC
waarbij:
Hp = het bedrag van de door afvalproducent P verschuldigde bijdrage aan het Fonds op middellange termijn;
T = het totale bedrag van de bijdrage aan het Fonds op middellange termijn;
Qt = de totale capaciteit van de bergingsinstallatie, uitgedrukt in m3, zoals vermeld in de aanvraag voor de oprichtingsvergunning van de bergingsinstallatie, overeenkomstig de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
Qp = de totale hoeveelheid afval, uitgedrukt in m3, die gereserveerd wordt voor producent P, en die bestemd is om geborgen te worden op de bergingssite, bijgewerkt op 1 januari van het jaar waarin de belasting van kracht wordt;
FC = corrigerende factor, rekening houdend met de vrijstellingen.
De Instelling int de integratiebijdrage volgens de modaliteiten en op het tijdstip vastgesteld door de Koning. Het bedrag T voor het Fonds op middellange termijn, aangelegd voor de oppervlakteberging van het afval van categorie A op het grondgebied van de gemeente Dessel, bedraagt 130 000 000 euro. De Koning bepaalt, op voorstel van de Instelling, de waarde van Qt, Qp en FC, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Het bedrag T wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen vanaf het jaar 2010 tot het jaar waarin het bedrag T integraal wordt geheven bij de producenten. Tijdens de heffingsperiode worden de uitgevoerde heffingen afgetrokken van het bedrag T alvorens tot de indexering over te gaan.
De verplichting om bij te dragen tot het Fonds op middellange termijn, gaat in vanaf het ogenblik dat de bergingsinstallatie voor radioactief afval het voorwerp is geweest van een definitieve en uitvoerbare oprichtingsvergunning, overeenkomstig de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, alsook van een bouwvergunning en, in voorkomend geval, een milieuvergunning, overeenkomstig de van toepassing zijnde gewestelijke regelgeving.
Op voorwaarde dat hun individueel aandeel in de capaciteit niet meer dan 3 % van de totale capaciteit van de bergingsinstallatie bedraagt, zijn de openbare onderzoeksinstellingen die voor het merendeel betaald worden door de Staat, een Gemeenschap of een Gewest, en de openbare of private instellingen die actief zijn in de sector van de gezondheidszorg, vrijgesteld van betaling van de integratiebijdrage. Voor zover hun individueel aandeel in de capaciteit voormelde drempel niet overschrijdt, zijn de occasionele producenten van radioactief afval eveneens vrijgesteld.
De middelen van het Fonds op middellange termijn kunnen in ieder geval worden aangewend ten behoeve van de lokale collectiviteit en/of haar inwoners die het mogelijk hebben gemaakt een maatschappelijk draagvlak te creëren en te bestendigen voor de vestiging van een bergingsinstallatie, door de ontwikkeling en de instandhouding van een participatief proces of van elke andere bestaande of uit te werken methode die hetzelfde resultaat bereikt, of ten behoeve van de lokale collectiviteit en/of haar inwoners die worden geraadpleegd in het kader van de vergunningsprocedure ter uitvoering van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle.
De middelen van het Fonds op middellange termijn kunnen worden gebruikt vanaf het ogenblik dat de integratiebijdrage wordt geheven bij de producenten, overeenkomstig het punt 14° van deze paragraaf.
Binnen de Instelling wordt een toezichtcomité opgericht, belast met het controleren van de bestemming van de middelen van het Fonds op middellange termijn. De Koning bepaalt de samenstelling en de modaliteiten van de uitoefening van zijn opdracht, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]
[11°bis
Om de integratiebijdrage te innen die het Fonds op middellange termijn stijft, richt de Instelling een schriftelijk verzoek aan elke producent, binnen de termijn en volgens de modaliteiten die door de Koning zijn vastgesteld. Dit verzoek specificeert het verschuldigde bedrag en vermeldt het rekeningnummer waarop dit bedrag moet worden gestort. De producent beschikt over een termijn van maximum 50 kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de verzending van het schriftelijk verzoek van de Instelling om tot betaling over te gaan. Bij gebrek aan betaling binnen deze termijn, zal de Instelling de producent aanmanen te betalen binnen een termijn van 15 kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de verzending van de ingebrekestelling.
Indien de producent de betaling van de integratiebijdrage niet uitvoert overeenkomstig de voorwaarden bepaald in het voorgaande lid, en dit zonder enige rechtvaardiging, of wanneer de verstrekte rechtvaardiging onaanvaardbaar wordt geacht door de Instelling, kan deze de producent een administratieve boete opleggen waarvan het bedrag maximum 30 % van de onbetaalde som bedraagt. De producent wordt per aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing om een administratieve boete op te leggen. De kennisgeving vermeldt de betalingswijze en de betalingstermijn.
Elk geschil betreffende een administratieve boete die wordt opgelegd om het Fonds op middellange termijn te stijven, wordt voor de rechtbank van eerste aanleg gebracht. Op straffe van verval dient de aanhangigmaking bij de rechtbank te gebeuren door middel van een verzoekschrift binnen de twee maanden die volgen op de kennisgeving van de boete.]
[12°
[De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in overeenstemming met de bepalingen van het 11° van deze paragraaf, de financieringsvoorwaarden voor de activiteiten van de Instelling reglementeren.
De in het vorige lid bepaalde delegatie heeft niet tot doel de essentiële bestanddelen te bepalen van de integratiebijdrage die ten voordele van het Fonds op middellange termijn wordt geïnd.]
Met het doel het financiële evenwicht van de Instelling te waarborgen kan de Koning in de kosten van de prestaties een aandeel insluiten om een provincie te vormen om het eventuele faillissement of onvermogen van bepaalde producenten te ondervangen, en dit tot een maximum van 5% van de kosten van de prestaties.
[13°
Jaarlijks wordt er verslag uitgebracht bij de Wetgevende Kamers over de activiteiten en de financiering van de Instelling, evenals over de wijze waarop de bevolking over de activiteitsdomeinen van de Instelling voorgelicht wordt.
[14°
De vertegenwoordiging van de Gewesten in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de Instelling wordt geregeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 92ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.]
[15°
De activiteiten van de Instelling, alsook de activiteiten die gedekt worden door het Fonds op middellange termijn, kunnen aanvullend worden gefinancierd door middel van de volgende inkomsten:
a)
de legaten en schenkingen te harer gunste;
b)
de occasionele toelagen en inkomsten;
c)
alle andere wettelijke of reglementaire ontvangsten verbonden aan haar actie en de vergoedingen voor prestaties.]
[16°
Naast de algemene bevoegdheid die haar wordt verleend in 10°, beschikt de Instelling, in het kader van de activiteiten die zij uitvoert om een maatschappelijk draagvlak te creëren en in stand te houden dat vereist is voor de integratie van een bergingsinstallatie voor radioactief afval, over de specifieke bevoegdheid om een fonds met rechtspersoonlijkheid op te richten, Lokaal fonds genaamd, dat tot doel heeft een duurzame meerwaarde te creëren voor een lokale collectiviteit. Het Lokaal fonds neemt de vorm aan van een private stichting die, voor zover daarvan niet wordt afgeweken bij deze wet, onderworpen is aan de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
De middelen van het Lokaal fonds komen voort uit het Fonds op middellange termijn dat door de Instelling wordt opgericht overeenkomstig het 11° van deze paragraaf.
De Instelling stelt de statuten van het Lokaal fonds vast. Iedere wijziging van deze statuten is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de Instelling. Het recht om voor de rechtbank van eerste aanleg een vordering tot wijziging van de statuten in te stellen overeenkomstig artikel 30, § 3, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, komt, in afwijking van zulke bepaling, uitsluitend toe aan de Instelling.
Binnen het vermogen van het Lokaal fonds kunnen afzonderlijke compartimenten worden ingericht. De compartimenten worden onafhankelijk van elkaar beheerd op bestuurlijk, boekhoudkundig en financieel vlak, volgens de in de statuten van het Lokaal fonds vastgestelde modaliteiten. Indien, overeenkomstig het voorgaande, verschillende compartimenten worden gecreëerd binnen het vermogen van het Lokaal fonds:
a)
dient elke verrichting op expliciete wijze te worden toegerekend aan één of meer compartimenten;
b)
strekken, in afwijking van de artikelen 7 en 8 van de hypotheekwet van 16 december 1851, de activa van een compartiment uitsluitend tot waarborg voor de rechten van de schuldeisers van dit compartiment, en zijn de rechten van deze schuldeisers beperkt tot de activa van dit compartiment;
c)
worden deze compartimenten afzonderlijk vereffend.
Naast het algemene toezicht dat wordt uitgeoefend door het toezichtcomité bedoeld in het 11°, laatste lid, van deze paragraaf is het Lokaal fonds onderworpen aan een specifiek toezicht van de Instelling op de naleving van haar statuten, de in uitvoering van deze statuten vastgestelde reglementen en, in het algemeen, van de wet- en regelgeving die van toepassing is op het Lokaal fonds. De Instelling kan dit toezicht uitoefenen door tussenkomst van een waarnemer die zij aanstelt overeenkomstig de door de Koning vastgestelde modaliteiten. Om dit toezicht uit te oefenen, beschikken de Instelling en de door haar aangestelde waarnemer over de meest uitgebreide waarnemings-, informatie- en inzagerechten. In het kader van dit specifieke toezicht zijn de Instelling en de waarnemer gemachtigd om de door de organen van het Lokaal fonds genomen beslissingen op te schorten en te vernietigen. De modaliteiten volgens dewelke dit specifieke toezicht wordt uitgeoefend, worden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Naast de hypotheses waarin de gevallen van ontbinding, door de rechtbank van eerste aanleg, bedoeld in artikel 39 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, kunnen worden toegepast, kan het Lokaal fonds worden ontbonden bij beslissing van de Instelling:
a)
in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4°, van het voornoemde artikel 39;
b)
bij herhaalde vernietiging van beslissingen op basis van het vernietigingstoezicht bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 40, paragraaf 1, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, is niet van toepassing op de vereffening van het Lokaal fonds. Alleen de Instelling kan optreden als vereffenaar van het Lokaal fonds. Bij de ontbinding van het Lokaal fonds verkrijgt de Instelling van rechtswege de hoedanigheid van vereffenaar van het Lokaal fonds, en bepaalt de Instelling de wijze waarop dit fonds zal worden vereffend, ongeacht of tot deze ontbinding wordt besloten door de Instelling overeenkomstig het voorgaande lid of door de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig artikel 39 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
Het na vereffening van het Lokaal fonds resterende vermogen keert terug naar het Fonds op middellange termijn en wordt opnieuw aangewend voor de dekking van de kosten van de aanvullende voorwaarden die door dit laatste fonds moeten worden gefinancierd. Artikel 28, 6°, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, is niet van toepassing op het Lokaal fonds.]

§ 3

De controle van de activiteiten van de gemengde vennootschap, bepaald in § 1 en van deze van het openbaar organisme bepaald in § 2, zal worden uitgeoefend door de nationale organisatie voor controle van de kernactiviteiten.
De vennootschap en het organisme behouden de gehele verantwoordelijkheid voor het toezicht op de activiteiten en voor de veiligheid van hun installaties.

§ 4

Tot opwerking van splijtstoffen, in België, kan slechts overgegaan worden nadat de Wetgevende Kamers zich hierover principieel hebben uitgesproken.

[§ 5

In de zin van dit artikel, dient te worden verstaan onder:
Sluiting: de beëindiging van alle operaties een zekere tijd nadat verbruikte splijtstof of radioactief afval in een bergingsinstallatie is geplaatst, met inbegrip van de uiteindelijke bouwkundige werken of andere werkzaamheden die vereist zijn om de installatie voor de lange termijn te beveiligen;
Bevoegde regelgevende autoriteit: het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, opgericht bij artikel 2 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
Berging: de plaatsing van verbruikte splijtstof of radioactief afval in een installatie zonder de bedoeling die splijtstof of dat afval terug te halen, maar zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om, in voorkomend geval, over te gaan tot recuperatie van afval, in overeenstemming met de modaliteiten gedefinieerd in de Nationale Beleidsmaatregelen bedoeld in § 6 en § 7 van dit artikel;
Bergingsinstallatie: elke installatie die de berging van radioactief afval als voornaamste doel heeft;
Vergunning: elk wettelijk document voor het uitvoeren van om het even welke activiteit in verband met het beheer van verbruikte splijtstof of radioactief afval, het ontwerp, de bouw, de inwerkingstelling, de bedrijfsvoering, de ontmanteling of de sluiting van een installatie voor het beheer van verbruikte splijtstof of een installatie voor het beheer van radioactief afval;
Vergunninghouder: een natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning werd verleend;
Radioactief afval: een radioactieve stof in gasvormige, vloeibare of vaste staat waarvoor de Staat of een natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens beslissing is aanvaard door de goedkeuring van een Nationale Beleidsmaatregel met betrekking tot deze stof zoals bedoeld in § 6 en § 7 van dit artikel, geen verder gebruik meer voorziet of overweegt en die door de bevoegde regelgevende autoriteit als radioactief afval wordt beschouwd, of indien deze stof dient te worden beschouwd als radioactief afval op grond van een wettelijke of reglementaire bepaling;
Beheer van radioactief afval: alle activiteiten die met name te maken hebben met het hanteren, het transport, de voorbehandeling, de behandeling, het conditioneren, de opslag of de berging van het radioactieve afval;
Installatie voor het beheer van radioactief afval: elke installatie die het beheer van radioactief afval als voornaamste doel heeft;
10°
Opwerking: een proces of procedé dat tot doel heeft radioactieve isotopen te onttrekken aan verbruikte splijtstof met het oog op verder gebruik;
11°
Verbruikte splijtstof: de kernsplijtstof die bestraald is in een reactorkern en permanent eruit is verwijderd; verbruikte splijtstof kan worden beschouwd hetzij als een bruikbare bron die kan worden hergebruikt of opgewerkt, hetzij als radioactief afval dat bestemd is voor berging;
12°
Beheer van verbruikte splijtstof: alle activiteiten die met name te maken hebben met het hanteren, het transport, de opslag, de opwerking of de berging van verbruikte splijtstof;
13°
Installatie voor het beheer van verbruikte splijtstof: elke installatie die het beheer van verbruikte splijtstof als voornaamste doel heeft;
14°
Opslag: het onderbrengen van verbruikte splijtstof of radioactief afval in een installatie met de bedoeling die splijtstof of dat afval terug te halen.
]

[§ 6

De Koning stelt bij besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de Instelling en na advies van de bevoegde regelgevende autoriteit, Nationale Beleidsmaatregelen vast en houdt deze in stand met betrekking tot het beheer van radioactief afval en van verbruikte splijtstof, in functie van de fysische, chemische en radiologische eigenschappen van het afval en van de verbruikte splijtstof, gebaseerd ten minste op de volgende algemene uitgangspunten:
de productie van radioactief afval wordt beperkt tot een zo laag als redelijkerwijze haalbaar niveau, wat de activiteit en het volume betreft, door middel van gepaste ontwerpmaatregelen en praktijken inzake bedrijfsvoering en ontmanteling, met inbegrip van opwerking en hergebruik van stoffen;
er wordt rekening gehouden met de onderlinge afhankelijkheid van alle stappen in de productie en het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval;
verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op een veilige manier beheerd, waarbij de veiligheid op lange termijn van een bergingsinstallatie onder meer op veiligheidsmaatregelen berust die op lange termijn passief moeten kunnen worden;
de maatregelen worden ten uitvoer gelegd volgens een graduele aanpak;
de kosten voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval zijn ten laste van diegenen die deze stoffen hebben geproduceerd;
in alle stadia van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval wordt een met bewijskrachtige gegevens onderbouwd en gedocumenteerd besluitvormingsproces gevolgd.
De in het eerste lid bedoelde Nationale Beleidsmaatregelen worden beschouwd als plannen of programma's in de zin van de wet van 13 februari 2006 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's en de inspraak van het publiek bij de uitwerking van de plannen en programma's in verband met het milieu.
De Nationale Beleidsmaatregelen met betrekking tot het beheer van radioactief afval en van als afval beschouwde verbruikte splijtstof omvatten modaliteiten van omkeerbaarheid, terugneembaarheid en monitoring voor een te bepalen periode als elementen voor het ontwerp en de exploitatie van elke bergingsinstallatie. Deze modaliteiten worden opgesteld rekening houdend met de noodzaak de veiligheid van de bergingsinstallatie te verzekeren.
De Nationale Beleidsmaatregelen omvatten de locatiekeuze van de bergingsinstallaties op voorstel van de Instelling die de bevoegde regelgevende autoriteit raadpleegt.
De Nationale Beleidsmaatregelen omvatten de modaliteiten van opvolging van deze beleidsmaatregelen, in voorkomend geval door een onafhankelijk multidisciplinair orgaan.
Op voorstel van de houders van de verbruikte splijtstof en na raadpleging van de Instelling en van de bevoegde regelgevende autoriteit, omvatten de Nationale Beleidsmaatregelen de aanvaarde hypotheses voor het verder gebruik van de verschillende types van verbruikte splijtstof.
Op basis van vaststellingen na de sluiting van de site via de monitoring op vlak van de veiligheid, kan de Koning bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheden de nucleaire veiligheid en beveiliging behoort, de heropening van de bergingsinstallatie, en in voorkomend geval, de terugname van het radioactieve afval of de verbruikte splijtstof opleggen.
De werkzaamheden voor de heropening van de bergingsinstallatie en, in voorkomend geval, de terugname van het radioactieve afval of de verbruikte splijtstof dienen het voorwerp te zijn van een vergunning verleend op basis van de wet van 15 april 1994 houdende de bescherming van de bevolking en het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren.
]

[§ 7

Indien radioactief afval of verbruikte splijtstof wordt overgebracht naar een ander land met het oog op verwerking of opwerking, blijft de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de veilige en verantwoorde berging van deze stoffen, ook voor al het als bijproduct gegenereerde afval, bij de Staat berusten, als land van waaruit de radioactieve stoffen zijn verzonden.
Het op het Belgisch grondgebied geproduceerde radioactief afval wordt er geborgen, tenzij op het moment van overbrenging, rekening houdend met de door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 16, paragraaf 2, van Richtlijn 2006/117/Euratom opgestelde criteria, zoals omgezet bij koninklijk besluit van 24 maart 2009 tot regeling van de invoer, de doorvoer en de uitvoer van radioactieve stoffen, tussen de Staat en een ander land een overeenkomst van kracht is om een bergingsinstallatie in dat land te gebruiken.
Vóór de overbrenging naar dat andere land, stelt de Staat de Commissie op de hoogte van de inhoud van een dergelijke overeenkomst en neemt hij redelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat:
a)
het land van bestemming een overeenkomst over het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval heeft gesloten met de Euratom-Gemeenschap, of partij is bij het Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van verbruikte splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval (“het Gezamenlijk Verdrag”);
b)
het land van bestemming over programma's inzake beheer en berging van radioactief afval beschikt waarvan de doelstellingen, van hoog veiligheidsniveau, gelijkwaardig zijn aan de doelstellingen die vastgesteld zijn door de Richtlijn 2011/70/Euratom, zoals omgezet in deze wet;
c)
de bergingsinstallatie in het land van bestemming vergund is het over te brengen radioactief afval te ontvangen, operationeel is vóór de overbrenging en beheerd wordt overeenkomstig de voorschriften van het programma van het land van bestemming inzake beheer en berging van radioactief afval.
De bepaling van het vorige lid is niet van toepassing op:
a)
de terugbrenging van afgedankte ingekapselde bronnen naar een leverancier of fabrikant;
b)
de overbrenging van verbruikte splijtstof uit onderzoeksreactoren naar een land waar splijtstoffen van onderzoeksreactoren worden geleverd of vervaardigd, rekening houdend met de toepasselijke internationale overeenkomsten.
]

[§ 8

Er wordt een Comité van het Nationale Programma opgericht belast met het opstellen van het Nationale Programma voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval. Dit Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de Federale Overheidsdienst belast met Energie, de Instelling en de in de eerste paragraaf van dit artikel bedoelde vennootschap, die allen handelen in het kader van hun bevoegdheden en opdrachten. Het Comité wordt voorgezeten door de Federale Overheidsdienst belast met Energie. Het secretariaat van het Comité wordt verzorgd door de Instelling. Het Comité kan zich laten bijstaan door deskundigen en de verschillende producenten van radioactief afval en van verbruikte splijtstof raadplegen.
De ministers die bevoegd zijn voor Energie en Economie maken, bij ministerieel besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voordracht van het Comité van het Nationale Programma en na raadpleging van de bevoegde regelgevende autoriteit, een Nationaal Programma op voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval. Dit programma maakt met name de balans op van de bestaande beheermethodes van verbruikte splijtstof en radioactief afval, brengt de te voorzien behoeften in kaart inzake opslag- of bergingsinstallaties, verduidelijkt de noodzakelijke capaciteit van deze installaties en de duur van de opslag en bepaalt de te bereiken doelstellingen voor het radioactieve afval dat nog niet het voorwerp uitmaakt van een definitieve beheermethode. Het Nationale Programma structureert de uitvoering van de onderzoeken en studies betreffende het beheer van de verbruikte splijtstof en van het radioactieve afval door mijlpalen vast te leggen voor de implementatie van nieuwe beheervormen, de oprichting van installaties of de wijziging van de bestaande installaties om te beantwoorden aan de hierboven gedefinieerde behoeftes en doelstellingen.
Het Nationale Programma wordt regelmatig bijgewerkt en telkens als een Nationale Beleidsmaatregel wordt aangenomen of gewijzigd.
De samenhang van het Nationale Programma voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval moet worden nagestreefd, alsook de technische en economische optimalisatie ervan.
Het Nationale Programma bevat tevens:
a)
de globale doelstellingen die worden nagestreefd door de Nationale Beleidsmaatregelen bedoeld in paragraaf 6 van dit artikel ten aanzien van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval;
b)
de belangrijke mijlpalen en duidelijke tijdsbestekken voor het bereiken van deze mijlpalen in het licht van de globale doelstellingen die worden nagestreefd door het Nationale Programma;
c)
een inventaris van alle verbruikte splijtstof en radioactief afval en ramingen van toekomstige hoeveelheden, met inbegrip van die welke voortkomen uit ontmanteling. In deze inventaris staan duidelijk de locatie en de hoeveelheid radioactief afval en verbruikte splijtstof vermeld, volgens de juiste indeling van radioactieve afvalstoffen en verbruikte splijtstof;
d)
concepten, plannen en technische oplossingen voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, van productie tot berging;
e)
concepten of plannen voor de periode na de sluiting van een bergingsinstallatie, met inbegrip van de periode waarin passende controles worden aangehouden, alsook de in te zetten middelen om de kennis over deze installatie op lange termijn te behouden;
f)
onderzoeks-, ontwikkelings- en demonstratieactiviteiten die nodig zijn om oplossingen voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval toe te passen;
g)
de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het Nationale Programma en de essentiële prestatie-indicatoren bestemd voor toezicht op de vooruitgang van de uitvoering;
h)
een raming van de kosten van het Nationale Programma en de basis en de gebruikte hypothesen voor deze raming, met inbegrip van een kalender;
i)
de van kracht zijnde financieringsmechanisme(n);
j)
het transparantiebeleid of -proces;
k)
in voorkomend geval, de met een ander land gesloten overeen-komst(en) betreffende het beheer van verbruikte splijtstof of radioactief afval, inclusief het gebruik van bergingsinstallaties;
l)
de identificatie van de bijkomende vereisten die voortvloeien uit de onderlinge afhankelijkheid van de verschillende beheerstadia voor elk type van radioactief afval en verbruikte splijtstof vanaf hun productie tot hun berging, teneinde de afstemming en de globale samenhang ervan te verzekeren;
m)
de gegevens betreffende elke voorziene of overwogen wijziging van de installaties en/of van de praktijken die van aard zijn om een impact te hebben op het beheer van het radioactieve afval en van de verbruikte splijtstof;
n)
de gegevens betreffende de historische situaties en de voorbije of bestaande beroepsactiviteiten die stoffen hebben opgeleverd of opleveren die mogelijkerwijze van aard zijn om gekwalificeerd te worden als radioactief afval, evenals de basisbeginselen van de beheermethodes die voor dit radioactief afval worden overwogen in de hypothese dat het beheer ervan niet kan verzekerd worden op grond van bestaande beheermethodes.
Het Comité van het Nationale Programma kan bij de uitbaters van nucleaire installaties en bij de houders van radioactief afval of, bij ontstentenis, bij hun eigenaars, onder hun verantwoordelijkheid, op eenvoudig verzoek en zonder kosten, alle inlichtingen opvragen die nuttig zijn voor het opstellen van het Nationale Programma en in het bijzonder de informatie die betrekking heeft op het beheer van verbruikte splijtstof of van radioactief afval vóór hun overdracht aan de Instelling.
Het Nationale Programma wordt uiterlijk op 23 augustus 2015 aan de Europese Commissie ter kennis gebracht op initiatief van de ministers die bevoegd zijn voor Economie en Energie. De verdere belangrijke wijzigingen ervan worden aan de Commissie ter kennis gebracht binnen de maand na hun goedkeuring. In geval van een verzoek tot inlichtingen of verduidelijking van de Commissie, worden deze alsook de verdere herzieningen verstrekt binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de ontvangst van dit verzoek.
]

[§ 9

1.
Een verslag over de uitvoering van de Richtlijn 2011/70/Euratom, waarbij gebruik wordt gemaakt van de evaluaties en van de verslagen die opgemaakt werden in het kader van het Gezamenlijk Verdrag, wordt voor de eerste maal uiterlijk op 23 augustus 2015, en vervolgens om de drie jaar, ter kennis gebracht van de Europese Commissie door de ministers die bevoegd zijn voor Economie en Energie. De Instelling coördineert de opmaak en de kennisgeving van het verslag aan de Commissie.
2.
Op gezette tijden, en ten minste om de tien jaar, worden op initiatief van de bevoegde ministers zelfevaluaties georganiseerd van het Nationale Kader, van de bevoegde regelgevende autoriteit, evenals van het Nationale Programma en haar uitvoering.
3.
Op gezette tijden, en ten minste om de tien jaar, wordt op initiatief van de bevoegde ministers een internationale collegiale toetsing georganiseerd van het Nationale Kader, van de bevoegde regelgevende autoriteit en/of van het Nationale Programma teneinde te waarborgen dat bij het veilige beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval veiligheidsnormen van een hoog niveau worden bereikt.
4.
De resultaten van de collegiale toetsing worden aan de Commissie en de andere lidstaten bekendgemaakt en aan het publiek ter beschikking gesteld, voor zover dit niet in strijd is met de beveiliging en het vertrouwelijk karakter van de informatie.
]

[§ 10

Elke natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een vergunning of gehouden is tot bepaalde verplichtingen krachtens dit artikel, moet voor zijn personeel regelingen voorzien voor opleiding en training, alsmede activiteiten van onderzoek en ontwikkeling ondernemen om te voldoen aan het Nationale Programma voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, teneinde de nodige deskundigheid en bekwaamheid te verwerven, in stand te houden en verder te ontwikkelen. De Koning bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van deze paragraaf.
]

[§ 11

De aanvaarding zoals voorzien in § 5, 7°, is niet vereist voor de verbruikte splijtstof en de radioactieve stoffen waarvan het voorziene of overwogen verder gebruik nog niet het voorwerp is geweest van een Nationale Beleidsmaatregel. Dit artikel doet geen afbreuk aan de wettelijke en reglementaire bepalingen waarnaar § 5, 7°, verwijst.
]
Artikel 179

§ 1

De Staat mag deelnemen in het kapitaal van een gemengde vennootschap die tot doel heeft activiteiten in verband met de nucleaire brandstofcyclus [, alsook de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales,] te beheren, met uitzondering van de activiteiten hierna voorzien in § 2.
[...]
De totale kosten verbonden aan de activiteiten van de vennootschap, hierin begrepen de kosten van het toegepast wetenschappelijk onderzoek, zullen ten laste vallen van de vennootschappen en organismen voor wie de verrichtingen zullen gebeurd zijn.

§ 2

[Er wordt een openbare instelling opgericht, Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen (NIRAS) genoemd. Deze Instelling krijgt de rechtspersoonlijkheid. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de vestigingsplaats van de Instelling, de werkingsbeginselen ervan, de samenstelling van haar beraadslagende en uitvoerende organen, de benoemingswijze van de personen die erin zetelen, de vertegenwoordiging ervan in rechte evenals de organisatie van het administratief toezicht erop. [Voor de toepassing van de federale belastingwetten wordt het NIRAS met de Staat gelijkgesteld.]
Met het doel de bescherming van de werknemers, de bevolking en het leefmilieu te waarborgen en te verzekeren en onverminderd de juridische en financiële verantwoordelijkheid van de afvalproducenten, wordt de Instelling belast met het beheer van al het radioactief afval, van welke oorsprong of herkomst het ook zij [, het opstellen van een inventaris van alle nucleaire installaties en alle terreinen die radioactieve stoffen bevatten, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle,] evenals met bepaalde opdrachten op het gebied van het beheer van verrijkte splijtstoffen, plutoniumhoudende stoffen, bestraalde splijtstoffen, en van de denuclearisatie van de buiten dienst gestelde installaties. [De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden van de raad van bestuur, opgericht door het koninklijk besluit van 30 maart 1981 houdende bepaling van de opdrachten en de werkingsmodaliteiten van de openbare instelling voor het beheer van radioactief afval en splijtstoffen, vertegenwoordigen het Rijk of een Gewest.]
De Instelling zal slechts afval van buitenlandse oorsprong mogen beheren na instemming te hebben bekomen van haar voogdijoverheid.
De opdrachten betreffende het radioactief afval omvatten het vervoer buiten de installaties, de verwerking en de conditionering voor de producenten die niet over daartoe door de Instelling erkende uitrustingen beschikken, de opslag buiten de installaties en de berging, evenals de verzameling en de evaluatie van elke informatie die nodig is voor de uitvoering van de bovengenoemde opdrachten.
[De instelling wordt bovendien gemachtigd om elke handeling te stellen en elke maatregel te treffen die erop gericht is het maatschappelijk draagvlak dat vereist is voor de integratie van een bergingsinstallatie voor radioactief afval in een lokale collectiviteit, te creëren en in stand te houden.]
[Deze wet is van toepassing onverminderd de specifieke bevoegdheden van de veiligheidsautoriteiten voor wat betreft de bescherming van de bevolking en het leefmilieu tegen de gevaren voortspruitend uit ioniserende stralingen, in het bijzonder het Federaal Agentschap voor nucleaire controle en zijn voogdijminister.]
[De opdracht met betrekking tot de inventaris omvat het opstellen van een repertorium van de lokalisatie en de staat van alle nucleaire installaties en alle plaatsen die radioactieve stoffen bevatten, de raming van de kost van hun ontmanteling en sanering, de evaluatie van het bestaan en de toereikendheid van provisies voor de financiering van deze operaties, toekomstig of lopend, en de vijfjaarlijkse bijwerking van deze inventaris.
De uitbaters van de nucleaire installaties en de houders van radioactieve stoffen, of, bij ontstentenis, hun eigenaars, zijn gehouden aan de Instelling, onder hun verantwoordelijkheid en op eenvoudige vraag, de gegevens te bezorgen om haar toe te laten de inventaris op te maken op basis van een door haar uitgewerkte procedure die de vorm en de inhoud van deze gegevens definieert.
De Instelling kan elke uitbater van nucleaire installaties en elke houder van radioactieve stoffen, of, bij ontstentenis, hun eigenaars, verplichten om, binnen een gegeven termijn, alle noodzakelijke gegevens voor de opmaak van de inventaris te bezorgen. Haar afgevaardigden of opdrachthouders zullen, op werkdagen van acht tot zeventien uur, beschikken over het recht tot toegang tot deze installaties en terreinen, alsook tot elk technisch of boekhoudkundig document dat nodig is voor de opmaak en de bijwerking van de inventaris.
Zij die de gevraagde gegevens niet of laattijdig bezorgen, zij die onvolledige of onjuiste gegevens bezorgen, zij die de toegang tot hun installaties en terreinen of tot elk technisch en boekhoudkundig document, nodig voor de opmaak of de bijwerking van de inventaris, weigeren, en, in het algemeen, zij die hun medewerking weigeren of de uitvoering van de opdrachten van de Instelling verhinderen, worden bestraft met een geldboete van 1.000 tot 10.000 [euro].
De Instelling maakt deze inventaris over aan haar voogdijminister die, in voorkomend geval, elke uitbater van nucleaire installaties of houder van radioactieve stoffen, of, bij ontstentenis, hun eigenaars, verplicht corrigerende maatregelen te nemen.
Zij die zich niet schikken naar de uitdrukkelijke bevelen van de minister worden bestraft met een geldboete van 1.000 tot 1.000.000 [euro].]
[7°
De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de Instelling de in het vorige lid bedoelde uitrustingen bestemd voor verwerking en conditionering kan erkennen evenals de voorwaarden van verhaal.
[8°
De opdrachten betreffende verrijkte splijtstoffen, plutoniumhoudende stoffen en bestraalde splijtstoffen omvatten het vervoer buiten de installaties, van de verrijkte en plutoniumhoudende splijtstoffen in een hoeveelheid die en met een verrijkingspercentage dat de door de Koning bepaalde grenzen overschrijdt, de opslag buiten de installaties, van de ten opzichte van de operationele behoeften van de installatie overtollige plutoniumhoudende stoffen, de opslag buiten de installaties, van bestraalde splijtstof of nieuwe splijtstof waarvoor geen enkel gebruik is voorzien, evenals de verzameling en de evaluatie van elke informatie die nodig is voor de uitvoering van de bovengenoemde opdrachten.
[9°
De opdrachten betreffende de ontmanteling omvatten de verzameling en de evaluatie van elke informatie waarmee de Instelling beheersprogramma's kan opstellen inzake het afval dat eruit zal voortspruiten, het akkoord over het programma voor ontmanteling van de besmette installaties, evenals de uitvoering van dit programma op aanvraag van de exploitant of in geval van tekortkoming van deze laatste.
[10°
De Instelling mag alle tot het verwezenlijken van haar doel nodige of nuttige verrichtingen doen.
Zij kan met name alle overeenkomsten sluiten, leningen aangaan, derden in haar vorderingen subrogeren, deze cederen of er anders over beschikken, alle schikkingen, zelfs voorstellen tot concordaat, aannemen, dadingen en compromissen aangaan, alle schuldvorderingen en zekerheden overlaten, van welk verhaal ook afzien en arbitrage-overeenkomsten sluiten. [De instelling kan, voor de uitvoering van haar opdrachten, rechtstreeks of onrechtstreeks deelnemen aan vennootschappen, verenigingen, samenwerkingsverbanden en andere rechtspersonen, alsook aan overleg- en beheerorganen, en kan voornoemde structuren oprichten, voor zover de deelname of oprichting bijdraagt tot de verwezenlijking van de opdrachten van de instelling. De beslissing om een handelsvennootschap op te richten of erin deel te nemen, wordt goedgekeurd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.] [De Instelling kan door de Koning, bij een in ministerraad overlegd besluit, gemachtigd worden om in eigen naam en voor eigen rekening over te gaan tot onteigeningen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van haar doelstellingen en opgelegde taken.]
[11°
Alle kosten verbonden aan de activiteiten van de Instelling, de kosten van haar operaties voor onderzoek, ontwikkeling en demonstratie en de kosten op lange termijn inbegrepen [maar met uitzondering van de kosten die gebonden zijn aan de activiteiten gedurende de twee eerste jaren van de inventarisatie], zullen worden ten laste gelegd van de maatschappijen, organismen, instellingen of personen waarvoor de Instelling haar prestaties verricht. Deze kosten, geraamd tegen kostprijs, zullen worden verdeeld tussen de begunstigden van de prestaties en naar verhouding ermee, rekening houdend met objectieve criteria.
[De kosten met betrekking tot de activiteiten van de Instelling bij het opmaken van de inventaris, worden gedragen door een bijdrage die, behalve voor de twee eerste jaren van de opmaak van de inventaris, ten laste zal gelegd worden van de uitbaters van nucleaire installaties en van de houders van radioactieve stoffen, of, bij ontstentenis, van hun eigenaars. [De kosten voor het opmaken van het Nationale Programma hebben betrekking op het opmaken en het bijhouden van de inventaris en zijn gedekt door de opbrengst van de bijdragen waarvan sprake in dit lid.]
[...]
De kosten met betrekking tot het opmaken van de inventaris, voor de eerste twee jaren, zullen gedragen worden door het Fonds voor de technische veiligheid van de nucleaire installaties van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en het Fonds voor de bescherming tegen ioniserende stralingen van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.]
[De Instelling kan een fonds oprichten voor de financiering van haar opdrachten op lange termijn, ook Fonds op lange termijn genoemd. Dit fonds dient om alle kosten en investeringen te dekken die noodzakelijk zijn om het radioactieve afval op te slaan en om berginginstallaties voor het radioactieve afval te bouwen, te exploiteren en te sluiten, en er de institutionele controle van te verzekeren, in overeenstemming met de vergunningen die uitgereikt zijn om deze activiteiten uit te voeren.
Het Fonds op lange termijn wordt gestijfd door retributies die in rekening worden gebracht van de producenten van radioactief afval. Deze retributies worden berekend op basis van de kosten die toe te schrijven zijn aan het respectieve afval van deze producenten en die worden geraamd op basis van de leidende principes die door de Koning worden vastgesteld, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De waarden van deze leidende principes, alsook bepaalde modaliteiten voor het stijven van het fonds op lange termijn, worden in onderlinge overeenstemming vastgesteld tussen de Instelling en de afvalproducenten, en zijn het voorwerp van daartoe gesloten overeenkomsten. Indien het onmogelijk is deze waarden en modaliteiten door een overeenkomst vast te stellen, worden ze op eensluidend advies van de instelling, vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De Instelling kan een fonds oprichten, ook Fonds op middellange termijn genoemd, om de kosten te dekken van de bijbehorende voorwaarden die werden goedgekeurd, enerzijds, door de gemeenteraad (-raden) van de gemeente(n) die het mogelijk heeft (hebben) gemaakt een maatschappelijk draagvlak te creëren en te bestendigen voor de vestiging van een bergingsinstallatie, door de ontwikkeling en de instandhouding van een participatief proces of van elke andere bestaande of uit te werken methode of procédé die hetzelfde resultaat bereikt, en, anderzijds, op voorstel van de Instelling, door de federale regering.
Deze kosten worden gemaakt om het vereiste maatschappelijk draagvlak te creëren en in stand te houden voor de integratie van een bergingsinstallatie voor radioactief afval in een lokale collectiviteit.
In ieder geval kunnen de middelen van het Fonds op middellange termijn worden aangewend om alle of een deel van de kosten te financieren verbonden aan de investering en de exploitatie van de infrastructuren alsook aan de activiteiten en projecten van de lokale collectiviteit die, via een participatief proces, de continuïteit van het maatschappelijk draagvlak voor de berging verzekert.
Het Fonds op middellange termijn wordt gestijfd door de integratiebijdrage die geheven wordt bij de producenten van radioactief afval. Deze integratiebijdrage wordt berekend op basis van de totale capaciteit van de bergingsinstallatie en de totale respectieve afvalhoeveelheden van de producenten die bestemd zijn om er geborgen te worden.
Het bedrag van de integratiebijdrage die verschuldigd is om het Fonds op middelange termijn te stijven, wordt als volgt vastgesteld:
Hp = ( Qp / Qt) × T × FC
waarbij:
Hp = het bedrag van de door afvalproducent P verschuldigde bijdrage aan het Fonds op middellange termijn;
T = het totale bedrag van de bijdrage aan het Fonds op middellange termijn;
Qt = de totale capaciteit van de bergingsinstallatie, uitgedrukt in m3, zoals vermeld in de aanvraag voor de oprichtingsvergunning van de bergingsinstallatie, overeenkomstig de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
Qp = de totale hoeveelheid afval, uitgedrukt in m3, die gereserveerd wordt voor producent P, en die bestemd is om geborgen te worden op de bergingssite, bijgewerkt op 1 januari van het jaar waarin de belasting van kracht wordt;
FC = corrigerende factor, rekening houdend met de vrijstellingen.
De Instelling int de integratiebijdrage volgens de modaliteiten en op het tijdstip vastgesteld door de Koning. Het bedrag T voor het Fonds op middellange termijn, aangelegd voor de oppervlakteberging van het afval van categorie A op het grondgebied van de gemeente Dessel, bedraagt 130 000 000 euro. De Koning bepaalt, op voorstel van de Instelling, de waarde van Qt, Qp en FC, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Het bedrag T wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen vanaf het jaar 2010 tot het jaar waarin het bedrag T integraal wordt geheven bij de producenten. Tijdens de heffingsperiode worden de uitgevoerde heffingen afgetrokken van het bedrag T alvorens tot de indexering over te gaan.
De verplichting om bij te dragen tot het Fonds op middellange termijn, gaat in vanaf het ogenblik dat de bergingsinstallatie voor radioactief afval het voorwerp is geweest van een definitieve en uitvoerbare oprichtingsvergunning, overeenkomstig de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, alsook van een bouwvergunning en, in voorkomend geval, een milieuvergunning, overeenkomstig de van toepassing zijnde gewestelijke regelgeving.
Op voorwaarde dat hun individueel aandeel in de capaciteit niet meer dan 3 % van de totale capaciteit van de bergingsinstallatie bedraagt, zijn de openbare onderzoeksinstellingen die voor het merendeel betaald worden door de Staat, een Gemeenschap of een Gewest, en de openbare of private instellingen die actief zijn in de sector van de gezondheidszorg, vrijgesteld van betaling van de integratiebijdrage. Voor zover hun individueel aandeel in de capaciteit voormelde drempel niet overschrijdt, zijn de occasionele producenten van radioactief afval eveneens vrijgesteld.
De middelen van het Fonds op middellange termijn kunnen in ieder geval worden aangewend ten behoeve van de lokale collectiviteit en/of haar inwoners die het mogelijk hebben gemaakt een maatschappelijk draagvlak te creëren en te bestendigen voor de vestiging van een bergingsinstallatie, door de ontwikkeling en de instandhouding van een participatief proces of van elke andere bestaande of uit te werken methode die hetzelfde resultaat bereikt, of ten behoeve van de lokale collectiviteit en/of haar inwoners die worden geraadpleegd in het kader van de vergunningsprocedure ter uitvoering van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle.
De middelen van het Fonds op middellange termijn kunnen worden gebruikt vanaf het ogenblik dat de integratiebijdrage wordt geheven bij de producenten, overeenkomstig het punt 14° van deze paragraaf.
Binnen de Instelling wordt een toezichtcomité opgericht, belast met het controleren van de bestemming van de middelen van het Fonds op middellange termijn. De Koning bepaalt de samenstelling en de modaliteiten van de uitoefening van zijn opdracht, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]
[11°bis
Om de integratiebijdrage te innen die het Fonds op middellange termijn stijft, richt de Instelling een schriftelijk verzoek aan elke producent, binnen de termijn en volgens de modaliteiten die door de Koning zijn vastgesteld. Dit verzoek specificeert het verschuldigde bedrag en vermeldt het rekeningnummer waarop dit bedrag moet worden gestort. De producent beschikt over een termijn van maximum 50 kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de verzending van het schriftelijk verzoek van de Instelling om tot betaling over te gaan. Bij gebrek aan betaling binnen deze termijn, zal de Instelling de producent aanmanen te betalen binnen een termijn van 15 kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de verzending van de ingebrekestelling.
Indien de producent de betaling van de integratiebijdrage niet uitvoert overeenkomstig de voorwaarden bepaald in het voorgaande lid, en dit zonder enige rechtvaardiging, of wanneer de verstrekte rechtvaardiging onaanvaardbaar wordt geacht door de Instelling, kan deze de producent een administratieve boete opleggen waarvan het bedrag maximum 30 % van de onbetaalde som bedraagt. De producent wordt per aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing om een administratieve boete op te leggen. De kennisgeving vermeldt de betalingswijze en de betalingstermijn.
Elk geschil betreffende een administratieve boete die wordt opgelegd om het Fonds op middellange termijn te stijven, wordt voor de rechtbank van eerste aanleg gebracht. Op straffe van verval dient de aanhangigmaking bij de rechtbank te gebeuren door middel van een verzoekschrift binnen de twee maanden die volgen op de kennisgeving van de boete.]
[12°
[De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in overeenstemming met de bepalingen van het 11° van deze paragraaf, de financieringsvoorwaarden voor de activiteiten van de Instelling reglementeren.
De in het vorige lid bepaalde delegatie heeft niet tot doel de essentiële bestanddelen te bepalen van de integratiebijdrage die ten voordele van het Fonds op middellange termijn wordt geïnd.]
Met het doel het financiële evenwicht van de Instelling te waarborgen kan de Koning in de kosten van de prestaties een aandeel insluiten om een provincie te vormen om het eventuele faillissement of onvermogen van bepaalde producenten te ondervangen, en dit tot een maximum van 5% van de kosten van de prestaties.
[13°
Jaarlijks wordt er verslag uitgebracht bij de Wetgevende Kamers over de activiteiten en de financiering van de Instelling, evenals over de wijze waarop de bevolking over de activiteitsdomeinen van de Instelling voorgelicht wordt.
[14°
De vertegenwoordiging van de Gewesten in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de Instelling wordt geregeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 92ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.]
[15°
De activiteiten van de Instelling, alsook de activiteiten die gedekt worden door het Fonds op middellange termijn, kunnen aanvullend worden gefinancierd door middel van de volgende inkomsten:
a)
de legaten en schenkingen te harer gunste;
b)
de occasionele toelagen en inkomsten;
c)
alle andere wettelijke of reglementaire ontvangsten verbonden aan haar actie en de vergoedingen voor prestaties.]
[16°
Naast de algemene bevoegdheid die haar wordt verleend in 10°, beschikt de Instelling, in het kader van de activiteiten die zij uitvoert om een maatschappelijk draagvlak te creëren en in stand te houden dat vereist is voor de integratie van een bergingsinstallatie voor radioactief afval, over de specifieke bevoegdheid om een fonds met rechtspersoonlijkheid op te richten, Lokaal fonds genaamd, dat tot doel heeft een duurzame meerwaarde te creëren voor een lokale collectiviteit. Het Lokaal fonds neemt de vorm aan van een private stichting die, voor zover daarvan niet wordt afgeweken bij deze wet, onderworpen is aan de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
De middelen van het Lokaal fonds komen voort uit het Fonds op middellange termijn dat door de Instelling wordt opgericht overeenkomstig het 11° van deze paragraaf.
De Instelling stelt de statuten van het Lokaal fonds vast. Iedere wijziging van deze statuten is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de Instelling. Het recht om voor de rechtbank van eerste aanleg een vordering tot wijziging van de statuten in te stellen overeenkomstig artikel 30, § 3, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, komt, in afwijking van zulke bepaling, uitsluitend toe aan de Instelling.
Binnen het vermogen van het Lokaal fonds kunnen afzonderlijke compartimenten worden ingericht. De compartimenten worden onafhankelijk van elkaar beheerd op bestuurlijk, boekhoudkundig en financieel vlak, volgens de in de statuten van het Lokaal fonds vastgestelde modaliteiten. Indien, overeenkomstig het voorgaande, verschillende compartimenten worden gecreëerd binnen het vermogen van het Lokaal fonds:
a)
dient elke verrichting op expliciete wijze te worden toegerekend aan één of meer compartimenten;
b)
strekken, in afwijking van de artikelen 7 en 8 van de hypotheekwet van 16 december 1851, de activa van een compartiment uitsluitend tot waarborg voor de rechten van de schuldeisers van dit compartiment, en zijn de rechten van deze schuldeisers beperkt tot de activa van dit compartiment;
c)
worden deze compartimenten afzonderlijk vereffend.
Naast het algemene toezicht dat wordt uitgeoefend door het toezichtcomité bedoeld in het 11°, laatste lid, van deze paragraaf is het Lokaal fonds onderworpen aan een specifiek toezicht van de Instelling op de naleving van haar statuten, de in uitvoering van deze statuten vastgestelde reglementen en, in het algemeen, van de wet- en regelgeving die van toepassing is op het Lokaal fonds. De Instelling kan dit toezicht uitoefenen door tussenkomst van een waarnemer die zij aanstelt overeenkomstig de door de Koning vastgestelde modaliteiten. Om dit toezicht uit te oefenen, beschikken de Instelling en de door haar aangestelde waarnemer over de meest uitgebreide waarnemings-, informatie- en inzagerechten. In het kader van dit specifieke toezicht zijn de Instelling en de waarnemer gemachtigd om de door de organen van het Lokaal fonds genomen beslissingen op te schorten en te vernietigen. De modaliteiten volgens dewelke dit specifieke toezicht wordt uitgeoefend, worden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Naast de hypotheses waarin de gevallen van ontbinding, door de rechtbank van eerste aanleg, bedoeld in artikel 39 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, kunnen worden toegepast, kan het Lokaal fonds worden ontbonden bij beslissing van de Instelling:
a)
in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4°, van het voornoemde artikel 39;
b)
bij herhaalde vernietiging van beslissingen op basis van het vernietigingstoezicht bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 40, paragraaf 1, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, is niet van toepassing op de vereffening van het Lokaal fonds. Alleen de Instelling kan optreden als vereffenaar van het Lokaal fonds. Bij de ontbinding van het Lokaal fonds verkrijgt de Instelling van rechtswege de hoedanigheid van vereffenaar van het Lokaal fonds, en bepaalt de Instelling de wijze waarop dit fonds zal worden vereffend, ongeacht of tot deze ontbinding wordt besloten door de Instelling overeenkomstig het voorgaande lid of door de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig artikel 39 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
Het na vereffening van het Lokaal fonds resterende vermogen keert terug naar het Fonds op middellange termijn en wordt opnieuw aangewend voor de dekking van de kosten van de aanvullende voorwaarden die door dit laatste fonds moeten worden gefinancierd. Artikel 28, 6°, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, is niet van toepassing op het Lokaal fonds.]

§ 3

De controle van de activiteiten van de gemengde vennootschap, bepaald in § 1 en van deze van het openbaar organisme bepaald in § 2, zal worden uitgeoefend door de nationale organisatie voor controle van de kernactiviteiten.
De vennootschap en het organisme behouden de gehele verantwoordelijkheid voor het toezicht op de activiteiten en voor de veiligheid van hun installaties.

§ 4

Tot opwerking van splijtstoffen, in België, kan slechts overgegaan worden nadat de Wetgevende Kamers zich hierover principieel hebben uitgesproken.

[§ 5

In de zin van dit artikel, dient te worden verstaan onder:
Sluiting: de beëindiging van alle operaties een zekere tijd nadat verbruikte splijtstof of radioactief afval in een bergingsinstallatie is geplaatst, met inbegrip van de uiteindelijke bouwkundige werken of andere werkzaamheden die vereist zijn om de installatie voor de lange termijn te beveiligen;
Bevoegde regelgevende autoriteit: het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, opgericht bij artikel 2 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
Berging: de plaatsing van verbruikte splijtstof of radioactief afval in een installatie zonder de bedoeling die splijtstof of dat afval terug te halen, maar zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om, in voorkomend geval, over te gaan tot recuperatie van afval, in overeenstemming met de modaliteiten gedefinieerd in de Nationale Beleidsmaatregelen bedoeld in § 6 en § 7 van dit artikel;
Bergingsinstallatie: elke installatie die de berging van radioactief afval als voornaamste doel heeft;
Vergunning: elk wettelijk document voor het uitvoeren van om het even welke activiteit in verband met het beheer van verbruikte splijtstof of radioactief afval, het ontwerp, de bouw, de inwerkingstelling, de bedrijfsvoering, de ontmanteling of de sluiting van een installatie voor het beheer van verbruikte splijtstof of een installatie voor het beheer van radioactief afval;
Vergunninghouder: een natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning werd verleend;
Radioactief afval: een radioactieve stof in gasvormige, vloeibare of vaste staat waarvoor de Staat of een natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens beslissing is aanvaard door de goedkeuring van een Nationale Beleidsmaatregel met betrekking tot deze stof zoals bedoeld in § 6 en § 7 van dit artikel, geen verder gebruik meer voorziet of overweegt en die door de bevoegde regelgevende autoriteit als radioactief afval wordt beschouwd, of indien deze stof dient te worden beschouwd als radioactief afval op grond van een wettelijke of reglementaire bepaling;
Beheer van radioactief afval: alle activiteiten die met name te maken hebben met het hanteren, het transport, de voorbehandeling, de behandeling, het conditioneren, de opslag of de berging van het radioactieve afval;
Installatie voor het beheer van radioactief afval: elke installatie die het beheer van radioactief afval als voornaamste doel heeft;
10°
Opwerking: een proces of procedé dat tot doel heeft radioactieve isotopen te onttrekken aan verbruikte splijtstof met het oog op verder gebruik;
11°
Verbruikte splijtstof: de kernsplijtstof die bestraald is in een reactorkern en permanent eruit is verwijderd; verbruikte splijtstof kan worden beschouwd hetzij als een bruikbare bron die kan worden hergebruikt of opgewerkt, hetzij als radioactief afval dat bestemd is voor berging;
12°
Beheer van verbruikte splijtstof: alle activiteiten die met name te maken hebben met het hanteren, het transport, de opslag, de opwerking of de berging van verbruikte splijtstof;
13°
Installatie voor het beheer van verbruikte splijtstof: elke installatie die het beheer van verbruikte splijtstof als voornaamste doel heeft;
14°
Opslag: het onderbrengen van verbruikte splijtstof of radioactief afval in een installatie met de bedoeling die splijtstof of dat afval terug te halen.
]

[§ 6

De Koning stelt bij besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de Instelling en na advies van de bevoegde regelgevende autoriteit, Nationale Beleidsmaatregelen vast en houdt deze in stand met betrekking tot het beheer van radioactief afval en van verbruikte splijtstof, in functie van de fysische, chemische en radiologische eigenschappen van het afval en van de verbruikte splijtstof, gebaseerd ten minste op de volgende algemene uitgangspunten:
de productie van radioactief afval wordt beperkt tot een zo laag als redelijkerwijze haalbaar niveau, wat de activiteit en het volume betreft, door middel van gepaste ontwerpmaatregelen en praktijken inzake bedrijfsvoering en ontmanteling, met inbegrip van opwerking en hergebruik van stoffen;
er wordt rekening gehouden met de onderlinge afhankelijkheid van alle stappen in de productie en het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval;
verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op een veilige manier beheerd, waarbij de veiligheid op lange termijn van een bergingsinstallatie onder meer op veiligheidsmaatregelen berust die op lange termijn passief moeten kunnen worden;
de maatregelen worden ten uitvoer gelegd volgens een graduele aanpak;
de kosten voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval zijn ten laste van diegenen die deze stoffen hebben geproduceerd;
in alle stadia van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval wordt een met bewijskrachtige gegevens onderbouwd en gedocumenteerd besluitvormingsproces gevolgd.
De in het eerste lid bedoelde Nationale Beleidsmaatregelen worden beschouwd als plannen of programma's in de zin van de wet van 13 februari 2006 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's en de inspraak van het publiek bij de uitwerking van de plannen en programma's in verband met het milieu.
De Nationale Beleidsmaatregelen met betrekking tot het beheer van radioactief afval en van als afval beschouwde verbruikte splijtstof omvatten modaliteiten van omkeerbaarheid, terugneembaarheid en monitoring voor een te bepalen periode als elementen voor het ontwerp en de exploitatie van elke bergingsinstallatie. Deze modaliteiten worden opgesteld rekening houdend met de noodzaak de veiligheid van de bergingsinstallatie te verzekeren.
De Nationale Beleidsmaatregelen omvatten de locatiekeuze van de bergingsinstallaties op voorstel van de Instelling die de bevoegde regelgevende autoriteit raadpleegt.
De Nationale Beleidsmaatregelen omvatten de modaliteiten van opvolging van deze beleidsmaatregelen, in voorkomend geval door een onafhankelijk multidisciplinair orgaan.
Op voorstel van de houders van de verbruikte splijtstof en na raadpleging van de Instelling en van de bevoegde regelgevende autoriteit, omvatten de Nationale Beleidsmaatregelen de aanvaarde hypotheses voor het verder gebruik van de verschillende types van verbruikte splijtstof.
Op basis van vaststellingen na de sluiting van de site via de monitoring op vlak van de veiligheid, kan de Koning bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheden de nucleaire veiligheid en beveiliging behoort, de heropening van de bergingsinstallatie, en in voorkomend geval, de terugname van het radioactieve afval of de verbruikte splijtstof opleggen.
De werkzaamheden voor de heropening van de bergingsinstallatie en, in voorkomend geval, de terugname van het radioactieve afval of de verbruikte splijtstof dienen het voorwerp te zijn van een vergunning verleend op basis van de wet van 15 april 1994 houdende de bescherming van de bevolking en het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren.
]

[§ 7

Indien radioactief afval of verbruikte splijtstof wordt overgebracht naar een ander land met het oog op verwerking of opwerking, blijft de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de veilige en verantwoorde berging van deze stoffen, ook voor al het als bijproduct gegenereerde afval, bij de Staat berusten, als land van waaruit de radioactieve stoffen zijn verzonden.
Het op het Belgisch grondgebied geproduceerde radioactief afval wordt er geborgen, tenzij op het moment van overbrenging, rekening houdend met de door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 16, paragraaf 2, van Richtlijn 2006/117/Euratom opgestelde criteria, zoals omgezet bij koninklijk besluit van 24 maart 2009 tot regeling van de invoer, de doorvoer en de uitvoer van radioactieve stoffen, tussen de Staat en een ander land een overeenkomst van kracht is om een bergingsinstallatie in dat land te gebruiken.
Vóór de overbrenging naar dat andere land, stelt de Staat de Commissie op de hoogte van de inhoud van een dergelijke overeenkomst en neemt hij redelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat:
a)
het land van bestemming een overeenkomst over het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval heeft gesloten met de Euratom-Gemeenschap, of partij is bij het Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van verbruikte splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval (“het Gezamenlijk Verdrag”);
b)
het land van bestemming over programma's inzake beheer en berging van radioactief afval beschikt waarvan de doelstellingen, van hoog veiligheidsniveau, gelijkwaardig zijn aan de doelstellingen die vastgesteld zijn door de Richtlijn 2011/70/Euratom, zoals omgezet in deze wet;
c)
de bergingsinstallatie in het land van bestemming vergund is het over te brengen radioactief afval te ontvangen, operationeel is vóór de overbrenging en beheerd wordt overeenkomstig de voorschriften van het programma van het land van bestemming inzake beheer en berging van radioactief afval.
De bepaling van het vorige lid is niet van toepassing op:
a)
de terugbrenging van afgedankte ingekapselde bronnen naar een leverancier of fabrikant;
b)
de overbrenging van verbruikte splijtstof uit onderzoeksreactoren naar een land waar splijtstoffen van onderzoeksreactoren worden geleverd of vervaardigd, rekening houdend met de toepasselijke internationale overeenkomsten.
]

[§ 8

Er wordt een Comité van het Nationale Programma opgericht belast met het opstellen van het Nationale Programma voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval. Dit Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de Federale Overheidsdienst belast met Energie, de Instelling en de in de eerste paragraaf van dit artikel bedoelde vennootschap, die allen handelen in het kader van hun bevoegdheden en opdrachten. Het Comité wordt voorgezeten door de Federale Overheidsdienst belast met Energie. Het secretariaat van het Comité wordt verzorgd door de Instelling. Het Comité kan zich laten bijstaan door deskundigen en de verschillende producenten van radioactief afval en van verbruikte splijtstof raadplegen.
De ministers die bevoegd zijn voor Energie en Economie maken, bij ministerieel besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voordracht van het Comité van het Nationale Programma en na raadpleging van de bevoegde regelgevende autoriteit, een Nationaal Programma op voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval. Dit programma maakt met name de balans op van de bestaande beheermethodes van verbruikte splijtstof en radioactief afval, brengt de te voorzien behoeften in kaart inzake opslag- of bergingsinstallaties, verduidelijkt de noodzakelijke capaciteit van deze installaties en de duur van de opslag en bepaalt de te bereiken doelstellingen voor het radioactieve afval dat nog niet het voorwerp uitmaakt van een definitieve beheermethode. Het Nationale Programma structureert de uitvoering van de onderzoeken en studies betreffende het beheer van de verbruikte splijtstof en van het radioactieve afval door mijlpalen vast te leggen voor de implementatie van nieuwe beheervormen, de oprichting van installaties of de wijziging van de bestaande installaties om te beantwoorden aan de hierboven gedefinieerde behoeftes en doelstellingen.
Het Nationale Programma wordt regelmatig bijgewerkt en telkens als een Nationale Beleidsmaatregel wordt aangenomen of gewijzigd.
De samenhang van het Nationale Programma voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval moet worden nagestreefd, alsook de technische en economische optimalisatie ervan.
Het Nationale Programma bevat tevens:
a)
de globale doelstellingen die worden nagestreefd door de Nationale Beleidsmaatregelen bedoeld in paragraaf 6 van dit artikel ten aanzien van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval;
b)
de belangrijke mijlpalen en duidelijke tijdsbestekken voor het bereiken van deze mijlpalen in het licht van de globale doelstellingen die worden nagestreefd door het Nationale Programma;
c)
een inventaris van alle verbruikte splijtstof en radioactief afval en ramingen van toekomstige hoeveelheden, met inbegrip van die welke voortkomen uit ontmanteling. In deze inventaris staan duidelijk de locatie en de hoeveelheid radioactief afval en verbruikte splijtstof vermeld, volgens de juiste indeling van radioactieve afvalstoffen en verbruikte splijtstof;
d)
concepten, plannen en technische oplossingen voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, van productie tot berging;
e)
concepten of plannen voor de periode na de sluiting van een bergingsinstallatie, met inbegrip van de periode waarin passende controles worden aangehouden, alsook de in te zetten middelen om de kennis over deze installatie op lange termijn te behouden;
f)
onderzoeks-, ontwikkelings- en demonstratieactiviteiten die nodig zijn om oplossingen voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval toe te passen;
g)
de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het Nationale Programma en de essentiële prestatie-indicatoren bestemd voor toezicht op de vooruitgang van de uitvoering;
h)
een raming van de kosten van het Nationale Programma en de basis en de gebruikte hypothesen voor deze raming, met inbegrip van een kalender;
i)
de van kracht zijnde financieringsmechanisme(n);
j)
het transparantiebeleid of -proces;
k)
in voorkomend geval, de met een ander land gesloten overeen-komst(en) betreffende het beheer van verbruikte splijtstof of radioactief afval, inclusief het gebruik van bergingsinstallaties;
l)
de identificatie van de bijkomende vereisten die voortvloeien uit de onderlinge afhankelijkheid van de verschillende beheerstadia voor elk type van radioactief afval en verbruikte splijtstof vanaf hun productie tot hun berging, teneinde de afstemming en de globale samenhang ervan te verzekeren;
m)
de gegevens betreffende elke voorziene of overwogen wijziging van de installaties en/of van de praktijken die van aard zijn om een impact te hebben op het beheer van het radioactieve afval en van de verbruikte splijtstof;
n)
de gegevens betreffende de historische situaties en de voorbije of bestaande beroepsactiviteiten die stoffen hebben opgeleverd of opleveren die mogelijkerwijze van aard zijn om gekwalificeerd te worden als radioactief afval, evenals de basisbeginselen van de beheermethodes die voor dit radioactief afval worden overwogen in de hypothese dat het beheer ervan niet kan verzekerd worden op grond van bestaande beheermethodes.
Het Comité van het Nationale Programma kan bij de uitbaters van nucleaire installaties en bij de houders van radioactief afval of, bij ontstentenis, bij hun eigenaars, onder hun verantwoordelijkheid, op eenvoudig verzoek en zonder kosten, alle inlichtingen opvragen die nuttig zijn voor het opstellen van het Nationale Programma en in het bijzonder de informatie die betrekking heeft op het beheer van verbruikte splijtstof of van radioactief afval vóór hun overdracht aan de Instelling.
Het Nationale Programma wordt uiterlijk op 23 augustus 2015 aan de Europese Commissie ter kennis gebracht op initiatief van de ministers die bevoegd zijn voor Economie en Energie. De verdere belangrijke wijzigingen ervan worden aan de Commissie ter kennis gebracht binnen de maand na hun goedkeuring. In geval van een verzoek tot inlichtingen of verduidelijking van de Commissie, worden deze alsook de verdere herzieningen verstrekt binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de ontvangst van dit verzoek.
]

[§ 9

1.
Een verslag over de uitvoering van de Richtlijn 2011/70/Euratom, waarbij gebruik wordt gemaakt van de evaluaties en van de verslagen die opgemaakt werden in het kader van het Gezamenlijk Verdrag, wordt voor de eerste maal uiterlijk op 23 augustus 2015, en vervolgens om de drie jaar, ter kennis gebracht van de Europese Commissie door de ministers die bevoegd zijn voor Economie en Energie. De Instelling coördineert de opmaak en de kennisgeving van het verslag aan de Commissie.
2.
Op gezette tijden, en ten minste om de tien jaar, worden op initiatief van de bevoegde ministers zelfevaluaties georganiseerd van het Nationale Kader, van de bevoegde regelgevende autoriteit, evenals van het Nationale Programma en haar uitvoering.
3.
Op gezette tijden, en ten minste om de tien jaar, wordt op initiatief van de bevoegde ministers een internationale collegiale toetsing georganiseerd van het Nationale Kader, van de bevoegde regelgevende autoriteit en/of van het Nationale Programma teneinde te waarborgen dat bij het veilige beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval veiligheidsnormen van een hoog niveau worden bereikt.
4.
De resultaten van de collegiale toetsing worden aan de Commissie en de andere lidstaten bekendgemaakt en aan het publiek ter beschikking gesteld, voor zover dit niet in strijd is met de beveiliging en het vertrouwelijk karakter van de informatie.
]

[§ 10

Elke natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een vergunning of gehouden is tot bepaalde verplichtingen krachtens dit artikel, moet voor zijn personeel regelingen voorzien voor opleiding en training, alsmede activiteiten van onderzoek en ontwikkeling ondernemen om te voldoen aan het Nationale Programma voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, teneinde de nodige deskundigheid en bekwaamheid te verwerven, in stand te houden en verder te ontwikkelen. De Koning bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van deze paragraaf.
]

[§ 11

De aanvaarding zoals voorzien in § 5, 7°, is niet vereist voor de verbruikte splijtstof en de radioactieve stoffen waarvan het voorziene of overwogen verder gebruik nog niet het voorwerp is geweest van een Nationale Beleidsmaatregel. Dit artikel doet geen afbreuk aan de wettelijke en reglementaire bepalingen waarnaar § 5, 7°, verwijst.
]
Artikel 193
De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van artikel 179, § 2 vast.
Artikel 193
De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van artikel 179, § 2 vast.