Meer info
 

08/06/1867 Strafwetboek - uittreksel
Strafwetboek

Artikel 43quater

§ 1 [

Onverminderd artikel 43bis, derde en vierde lid, kunnen op vordering van de procureur des Konings de in paragraaf 2 bedoelde vermogensvoordelen, de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, en de inkomsten uit de belegde voordelen, die worden gevonden in het vermogen of in het bezit van een persoon worden verbeurdverklaard, of kan die persoon worden veroordeeld tot de betaling van een bedrag dat door de rechter wordt geraamd als zijnde overeenstemmend met de waarde van deze zaken indien de betrokkene schuldig werd bevonden:
ofwel aan een of meer misdrijven bedoeld:
a)
in de artikelen 136sexies en 136septies, 1°;
b)
in artikel 137, voor zover deze misdrijven worden bestraft met een van de straffen bedoeld in artikel 138, § 1, 4° tot 10°, en van dien aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren, in artikel 140, voor zover deze misdaad of dit wanbedrijf van dien aard is dat het financieel gewin kan opleveren, in de artikelen 140bis tot 140sexies, voor zover deze misdrijven van die aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren, in artikel 140septies, voor zover dit misdrijf wordt bestraft met een van de straffen bedoeld in artikel 140septies, § 1, derde en vierde streepje, en van die aard is dat het financieel gewin kan opleveren, en in artikel 141;
c)
in de artikelen 162, 163, 173, 180 en 186;
d)
in de artikelen 246 tot 250;
e)
[in de artikelen 417/25 tot 417/36, 417/38, 433quater/1 en 433quater/4];
f)
in de artikelen 433quinquies tot 433octies, 433undecies en 433duodecies;
g)
in de artikelen 504bis en 504ter;
h)
in artikel 505, met uitzondering van de zaken die gedekt zijn door artikel 42, 1°;
i)
in artikel 2bis, § 1, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover de feiten betrekking hebben op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de in dat artikel bedoelde middelen en stoffen, of in artikel 2bis, § 3, b), of § 4, b);
j)
in artikel 2quater, 4°, van dezelfde wet;
k)
in de artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
l)
in artikel 10, § 1, 2°, van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productie-stimulerende werking;
ofwel aan de misdrijven bedoeld in artikel 324ter;
ofwel aan een of meer van de hieronder bedoelde misdrijven wanneer die zijn gepleegd in het kader van een criminele organisatie zoals gedefinieerd in artikel 324bis:
a)
in de artikelen 468, 469, 470, 471 of 472;
b)
in artikel 475;
c)
in artikel 477 tot 477sexies of artikel 488bis;
d)
in artikel 8 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uiten doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie;
e)
in de artikelen 1 en 8 van het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anti-hormonale, anabole, beta-adrenergische, anti-infectieuze, anti-parasitaire, en anti-inflammatoire werking, voor de misdrijven waarop overeenkomstig de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, straffen worden gesteld;
ofwel aan meerdere strafbare feiten die gezamenlijk worden vervolgd, en waarvan de ernst, de finaliteit en de onderlinge afstemming, de rechtbank toelaat zeker en noodzakelijk te besluiten dat deze feiten werden gepleegd in het kader van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd.
]

§ 2

De verbeurdverklaring zoals bedoeld in § 1 kan worden uitgesproken tegen de daders, mededaders en medeplichtigen die werden veroordeeld wegens één of meerdere van de in dit artikel opgesomde misdrijven en onder de in § 1 bepaalde voorwaarden, wanneer de veroordeelde over een relevante periode verdere vermogensvoordelen heeft ontvangen terwijl er ernstige en concrete aanwijzingen zijn dat deze voordelen voortspruiten, uit het misdrijf waarvoor hij werd veroordeeld, of uit [misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel voor zover zij voorkomen in dezelfde rubriek, bepaald in paragraaf 1, als het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld] en de veroordeelde het tegendeel niet geloofwaardig maakt.
Dit tegendeel kan tevens geloofwaardig gemaakt worden door elke derde die beweert recht te hebben op deze voordelen.

§ 3

Als relevante periode in de zin van dit artikel wordt aanzien de periode van vijf jaar voorafgaand aan de inverdenkingstelling van de persoon tot de datum van de uitspraak.
De ernstige en concrete aanwijzingen bedoeld in § 2 kunnen worden geput uit alle geloofwaardige elementen die op regelmatige wijze aan de rechtbank worden overlegd, en die wijzen op een onevenwicht van enig belang tussen enerzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde in de relevante periode die door het openbaar ministerie wordt aangetoond, en anderzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde in deze periode, waarvan hij kan geloofwaardig maken dat ze niet voortspruiten uit de feiten waarvoor hij werd veroordeeld of uit [misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel voor zover zij voorkomen in dezelfde rubriek, bepaald in § 1, als het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld].
[...]
Wanneer de rechtbank de bijzondere verbeurdverklaring in de zin van dit artikel oplegt, kan zij beslissen geen rekening te houden met een door haar te bepalen deel van de relevante periode of met door haar te bepalen inkomsten, goederen en waarden, indien zij zulks gepast acht om de veroordeelde niet te onderwerpen aan een onredelijk zware straf.

§ 4

Het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie moet verbeurd verklaard worden, onder voorbehoud van de rechten van derden te goeder trouw.]